Alkmaars dichtersgilde

Geschreven voor 8 oktober 2015


HET GEDROOMDE LANDSCHAP
 
Het licht een vis met niets dan goud
dat waait tussen het ritselend blad
bewogen door de wind; de nacht
is kwijt, alsof ik hem nooit meer
vind, net als mijn zucht die zoeven
is ontsnapt en ook de wind heeft
niemand ooit bij bladstil weer betrapt.
 
De vraag waar we zijn gebleven, hoe
groei wordt vastgelegd, kent geen
antwoord dan het weten dat nu het eens
van ergens is, dat de wind het verstomde
kind soms opwaait, en dat tijd niets anders
is dan het verleden bijeen gegraaid
als herfstblad op een vergeeld gazon.
 
Het later, eens, als ik groot of oud
en ook het ooit, behoudt mijn huid,
stopt mij eronder. Het onbedaarlijk
licht hengelt een lente van weleer
vol boterbloemen. Geen uur gaat
ooit voorbij. Hoe alles steeds te
denken geeft. Hoe ik en ik en ik
 
een wei.

©  Margreet Schouwenaar