Alkmaars dichtersgilde

diptiek geschreven ter gelgendheid van Gedichtendag 2012

HOE HET GAAT 

Weet dit water mij, dit slijpend,
snuivend stromend voorbij, weet
de lucht, de wind, weet ik?
 
Hoe woorden stromen
van twijfel naar nabij.
In een kolk het snijdend besef
waar niet en wel gelaten.
 
Weten hoe de wind, het water,
de lucht een sterveling ziet
In wat hij naliet. Leven, meer
en meer met de vraag
 
         wanneer open als een vrucht;
een balsemien, ploffend, blaffend,
en dan vederlicht: bloei. Puur zijn,
wiegend in de stroom, de luwte,
als in lente luidkeels licht.
 
Hoe de wind, het water, de lucht,
hoe ik van geen atlas wist.
 
STROMEN

De grond schiet vol leven,
voeten tellen opgeruimd
stap na stap tot in het nu.
 
Hier zingt de koelkast, de ketel,
zoemt het bed, is altijd over,
doet alleen samen, zoeken
kinderen stem. 
 
Wie wat leert stoomt op,
weten verdampt niet,
verovert gebied in het boek
dat openligt, maakt een plan,
stroomt over, voert mee
van hier naar nu; voert uit
 
tot het boek dichtslaat,
het woord afschudt
de zin stilstaat.

 Hier zingt de koelkast, de ketel,
zoemt het bed, is altijd over;
loop je over. Binnen een tel
begin je waar je bent. 

©  Margreet Schouwenaar